Estuarium


ze ademt uit

een lange zoete

adem vol met zand

zoals altijd tot in haar breed uitwaai-

erende vlecht vloeit het gestaag tot dat

de maan haar stopt

heel even valt ze stil

dan ademt ze de zee in voelt zich brak

zoals altijd laat ze het toe al springt

de vloed ver in haar mond zout, zouter

slikt ze in totdat het breekt

rond schor en kreek


ze kent de rondegang,  dat elke

kromgebogen lijn uiteindelijk

terugkomt bij zichzelf

haar waaierwater

ooit weer bij

de bron


ze laat

haar langgerekte adem los



Inblazing


Het volmaakte vers

wordt niet geschreven, maar benaderd.

Het deint plagend in de wind.

Ik probeer struikelend het touwtje te grijpen.

Pas als dat lukt kan het gedicht

zich laten verwoorden.

Zo niet raakt het voor eeuwig verloren.


Het volmaakte idee wordt niet bedacht.


Zoals toen Dalí in zijn leunstoel

met een bos sleutels in zijn hand,

op het moment van indutten

de sleutels hoorde kletteren op de tegelvloer

en de ijle ingeving

nog net te vangen bleek

voor hij in de leegte zou verdwijnen.



Mummie


Adem in: het gouden licht van de Nijldelta

Adem uit: je taalcentrum. Voorlopig

zul je geen woord  meer uiten.

Adem in: de neergeslagen blikken van je bedienden.

Adem uit: je denkvermogen. Vanaf nu is alles droom.

Adem in: je koeien, papyrusvelden, je kinderen en vrouwen.

Adem uit: je gehoorsfeer, bittere amygdala en je reptielenbrein.


Ga tot de uiterste droogte, hul je in zeven lagen,

zeven gezichten die op jou lijken, steeds groter

wordt het masker van onvergankelijkheid.

Wacht.


© Anne van Rooijen


___________________________________________________________________


Oer


Het kind voelt een plofje

en opent langzaam zijn knuist.

Verwonderd ziet hij

hoe het speldenknopje

in zijn handpalm

gestaag opzwelt

tot een tekstballon

gevuld met woorden,

groter dan hijzelf:

de eerstgeboren reus.

Schaterend van plezier

Klapt hij daverend

in zijn handen.

Een oerknal in ’t kwadraat.

Alles wordt weer niets.


© Bert Fakkeldij


___________________________________________________________________



Ik ben los



Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden
Om daarna, om de beurt
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
Verlicht en mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los. 


Naar Guido Gezelle

©ees Noordhoek